Preventie van lawaaislechthorendheid I
Onderzoeker(s): ir. H.W. Helleman, drs. E.J.M. Jansen,
M. Neerings
Begeleider(s): prof.dr.ir. W.A. Dreschler
Achtergrond:
In de huidige maatschappij worden grote groepen mensen regelmatig blootgesteld aan hard geluid. Frequente blootstelling aan (te) hard geluid vergroot de kans op een gehoorbeschadiging. Omdat schade aan het gehoor onomkeerbaar is, is het van groot belang om vroegtijdig gehoorbeschadigingen te kunnen vaststellen. Hoe eerder een beschadiging geconstateerd wordt, hoe eerder er actie kan worden ondernomen om verdere (permanente) schade te voorkomen.
Doel:
In verschillende groepen werknemers die beroepsmatig zijn blootgesteld aan hard lawaai zal worden nagegaan of op basis van oto-akoestische emissies (OAE) een maat kan worden ontwikkeld voor de individuele gevoeligheid voor lawaaislechthorendheid.
Methode:
In een eerste groep werknemers van een grote drukkerij is met een beperkte testbatterij onderzocht in hoeverre de resultaten van OAE-metingen (TEOAE en DPOAE) samenhangen met meer klassieke maten om lawaaislechthorendheid te karakteriseren. Hierbij gaat het vooral om de relatie tussen emissieparameters en toonaudiometrie, spraakaudiometrie met achtergrondlawaai en subjectieve inschatting van het gehoor op basis van een enquête.
Resultaten:
In 2004 zijn de metingen bij ongeveer 300 werknemers in de drukkerij voltooid. De gegevens van deze cross-sectionele studie bieden een uitgangspunt voor een longitudinale studie. In 2006 is bij dezelfde werknemer een tweede meting uitgevoerd. Ruim 90% van de deelnemers aan het eerste onderzoek bleken ook beschikbaar te zijn voor het tweede onderzoek, zodat een uniek bestand beschikbaar is gekomen voor de analyse van OAE metingen in de tijd bij een lawaaibelaste populatie.
Vervolg:
De resultaten zullen worden bewerkt tot een serie van artikelen. Daarnaast zullen waarschijnlijk aanvullende metingen worden gestart bij een populatie werknemers die blootstaan aan impulsgebied.
