Orkest en gehoor: de lawaaibelasting van musici

Onderzoeker(s): drs. E.J.M. Jansen, ir. H.W. Helleman,

                        M. Neerings
Begeleider(s):    prof.dr.ir. W.A. Dreschler i.s.m.

                        dr. ir. J.A.P.M. de Laat (LUMC)
 

Achtergrond:
Uit verschillende wetenschappelijke studies blijkt dat geregelde blootstelling aan te hard geluid kan leiden tot gehoorafwijkingen. In Nederland kunnen gehoorafwijkingen die ontstaan zijn door regelmatige blootstelling aan (te) hard geluid bij musici uiteindelijk leiden tot arbeidsongeschiktheid. Om dit probleem aan te pakken hebben de overheid en de sociale partners een ARBO-convenant gesloten met de veertien grote Nederlandse symfonie-orkesten. Een van de doelstellingen van dit convenant is het terugdringen van het risico op het ontstaan van gehoorschade bij musici. De eerste stap hierin is de inventarisatie van de gehoorproblematiek bij musici.

 

Doel:
In dit project wordt geïnventariseerd welke gehoorschade er mogelijk kan ontstaan bij musici die deel uitmaken van een klassiek orkest. Door gebruik te maken van een breed assortiment aan audiologische testen wordt niet alleen gekeken naar de drempelverschuiving via een traditioneel toonaudiogram, maar ook naar andere effecten op het gehoor (zoals oorsuizen, spraakverstaan, etc.).

 

Methode:
Het onderzoek wordt uitgevoerd bij de medewerkers van drie grote orkesten in Amsterdam. De onderzoeksinstrumenten zijn 1) een uitvoerige enquête naar de subjectieve beleving van geluid, lawaai en de auditieve communicatie, 2) verschillende audiologische testen: het toonaudiogram, spraakverstaan in ruis, een test op diplacusis (een verschil in waarneming tussen de beide oren), een test op tinnitus (oorsuizen), metingen van oto-akoestische emissies, een test naar de breedte van het auditief filter en luidheidsschaling volgens de ACALOS-methode, en 3) geluidsmetingen tijdens repetities en concerten.

 

Resultaten:
Het onderzoek is uitgevoerd bij 250 musici van vijf professionele symfonie orkesten. Uit de resultaten blijkt dat het gehoor van musici in een symfonie orkest zwaar wordt belast, maar dat desondanks de schade in het toonaudiogram blijkt mee te vallen. Musici hebben echter relatief veel andere (subjectieve) klachten, zoals tinnitus, hyperacusis en diplacusis. Het lijkt daarom van groot belang om juist voor musici de traditionele meting van het toonaudiogram aan te vullen met andere metingen, zodat eventueel dreigende schade in een zo vroeg mogelijk stadium kan worden onderkend. De resultaten zijn beschreven in een intern rapport, getiteld "De status van het gehoor van musici" en in een internationale publicatie.

 

Vervolg:
Om meer inzicht te krijgen in de ontwikkeling van het gehoor van musici in de tijd en zo meer vat te krijgen op de interpretatie van de oto-akoestische emissies zijn de belangrijkste metingen bij een deel van de musici herhaald. De uitkomsten van deze metingen zijn momenteel in bewerking.